Het maakproces van binnenuit: wat een kinderboek met je doet
In een eerdere blog beschreef ik de stappen van een kinderboek: van briefing tot drukwerk. Dat overzicht klopt, maar het is maar het halve verhaal. Het zegt niets over hoe het voelt om er maandenlang middenin te zitten. Over wat er met je gebeurt als je een boek niet even maakt, maar er een seizoen van je leven aan geeft.
Dit is die andere kant. Niet de fases, maar de intensiteit erin. Niet wat je doet, maar wat het met je doet.
Drie fases, drie soorten hoofd
Wat me steeds weer opvalt: elke fase van een boek vraagt een ander soort aandacht. Niet alleen ander werk, maar een andere staat van zijn.
Het vooronderzoek voelt licht. Je verzamelt, bladert, kijkt, verwondert je. Er is nog niets op het spel, want er is nog niets gemaakt. Dit is de fase waarin nieuwsgierigheid alle ruimte krijgt en het werk nog aanvoelt als een cadeau aan jezelf.
De schetsfase is een ander beestje. Hier zit het echte denkwerk. Je leeft je in, probeert uit, gooit weg, begint opnieuw. Concentratie, twijfel en keuzes stapelen zich op. Je kent het verhaal nog niet, maar je moet het wel vinden, spread voor spread, pose voor pose. Het is traag, het is onzeker, en juist dat maakt het ook de meest kwetsbare fase. Je bent nog niets aan het afmaken, je bent aan het zoeken. En zoeken voelt zelden efficiënt.
De uitwerkingsfase is weer anders. Het grote denkwerk is gedaan, de composities liggen vast. Wat nu telt is iets subtielers: de levendigheid vasthouden terwijl je technisch foutloos moet blijven. Het is minder nadenken over wát, en meer opletten hóe. Een lijn die te stijf wordt. Een kleur die de emotie van de schets verliest. Een detail dat de aandacht verkeerd trekt. Dat merk je pas als je er middenin zit, uren achter elkaar. En ondertussen tikt de klok door, want dit is meestal de fase die het meeste tijd kost.
Drie fases dus, drie totaal verschillende soorten belasting. En dat is meteen de eerste valkuil. Veel mensen, ikzelf in het begin ook, plannen deze fases alsof ze evenveel energie vragen. Dat doen ze niet.
De tijd als vijfde personage
Een kinderboek maak je niet in een week. Het is een project van maanden, en dat heeft een eigen dynamiek die los staat van talent of vakmanschap.
In het begin is er momentum. Alles is nieuw, de opdracht voelt fris, de eerste schetsen komen relatief makkelijk. Ergens in het midden, vaak precies in de langste, meest herhalende fase van de uitwerking, slaat de twijfel toe. Is dit wel goed genoeg? Waarom voelt dit nu ineens zwaar, terwijl het twee maanden geleden nog licht voelde? Dat is geen teken dat er iets mis is met het werk. Het is een normaal onderdeel van een lang creatief traject. Enthousiasme is een golf, geen constante.
Wat helpt, is weten dát die dip komt. Niet om hem te vermijden, maar om hem te herkennen als fase in plaats van als signaal dat je moet stoppen of alles moet omgooien.
De deadline die altijd meekijkt
Vooronderzoek en de vrije schetsfase voelen ontspannen, juist omdat er nog geen contract, geen deadline, geen opdrachtgever over je schouder meekijkt. Zodra dat er wel is, verandert er iets fundamenteels. Elke schetssessie, elke illustratie, elke middag werk staat ineens in relatie tot een datum die niet van jou is.
Dat is geen kwestie van slecht plannen. Het zit in het werken in opdracht zelf. Je merkt het in kleine dingen: een schets die je normaal drie keer zou herzien, laat je nu bij versie twee. Een idee dat meer onderzoek verdient, moet het doen met wat je al weet. Niet omdat je slordig wilt zijn, maar omdat de klok meetelt in elke beslissing die je neemt.
En daar zit de kern van de spanning. Hoe blijf je vrij genoeg om nog iets te ontdekken, terwijl je efficiënt genoeg werkt om op tijd klaar te zijn?
Vrijheid en efficiëntie trekken in tegengestelde richtingen. Vrijheid vraagt om ruimte, om verdwalen, om het toelaten van een omweg die misschien nergens toe leidt. Efficiëntie vraagt om richting, om keuzes maken en er niet meer op terugkomen. Een boek dat alleen vrij tot stand komt, is nooit op tijd af. Een boek dat alleen efficiënt tot stand komt, mist vaak precies de vonk die het de moeite waard maakt.
Er is geen formule die dit oplost. Wel een paar dingen die bij mij werken.
De vrijheid zoek ik liever vroeg op dan laat. De schetsfase is de plek voor omwegen, juist omdat fouten daar nog goedkoop zijn. Hoe later in het proces je nog wilt ontdekken, hoe duurder dat wordt, in tijd en in gemoedsrust.
Ik probeer grenzen te stellen aan het zoeken, niet aan het maken. Mezelf een aantal schetsrondes gunnen in plaats van een open einde. Dat voelt in eerste instantie tegenstrijdig, een deadline op je eigen vrijheid zetten, maar het voorkomt dat de vrije fase eindeloos wordt en de uitwerkingsfase in de verdrukking komt.
En de uitwerkingsfase behandel ik inmiddels voornamelijk als vakmanschap, minder als creativiteit. Het is verleidelijk om ook daar nog op zoek te blijven naar het perfecte idee. Maar die fase vraagt vooral herhaling, precisie en ritme. Accepteren dat het nu draait om uitvoering, niet om ontdekking, scheelt onnodige mentale ruis.
Parallel geld verdienen
Weinig boekprojecten betalen genoeg om er maanden fulltime van te leven. Dus loopt er, naast het boek, ander werk door: opdrachten, lesgeven, coaching. Op papier is dat gewoon plannen. In de praktijk is het een voortdurende verdeling van aandacht die het creatieve proces beïnvloedt.
Een boek vraagt namelijk niet alleen tijd, het vraagt een bepaalde mentale staat, vooral in de schetsfase, waarin je je moet kunnen inleven en verdwalen. Die staat bouw je op, en een tussendoor-opdracht die "even snel" moet, breekt die op. Je schakelt niet alleen van taak naar taak, maar van diepte naar oppervlakte en weer terug. Dat kost meer energie dan de uren op de klok laten zien.
Dit is geen pleidooi om ander werk te laten liggen, dat is voor de meeste makers geen realistische optie. Het is eerder een uitnodiging om het te erkennen: als een dag zwaarder voelt dan de taken op zich rechtvaardigen, is de kans groot dat het wisselen tussen registers de eigenlijke vermoeidheid is, niet het werk zelf.
De lol, en waar die blijft
Met dat alles, de druk, de dip, het schakelen, is de vraag die overblijft misschien de belangrijkste. Blijft het nog leuk?
Het eerlijke antwoord is dat de lol van vorm verandert. In het vooronderzoek is het de lol van ontdekken. In de schetsfase is het de lol van iets zien ontstaan wat er net nog niet was, ook al gaat daar twijfel aan vooraf. In de uitwerkingsfase is de lol subtieler: het is de voldoening van vakmanschap, van een lijn die precies goed zit, van een spread die klaar is en klopt.
Wie in de uitwerkingsfase op zoek blijft naar dezelfde opwinding als in de schetsfase, raakt teleurgesteld. Die opwinding zit daar niet meer, en dat is geen verlies, maar gewoon een andere fase van hetzelfde proces. De lol vasthouden betekent vooral: weten in welke fase je zit, en weten welk soort voldoening daarbij hoort.
Tot slot
Een kinderboek maken is geen lineair pad van schets naar drukwerk. Het is een traject waarin je hoofd continu van register wisselt: verwonderen, zoeken, twijfelen, focussen, volhouden. En dat allemaal terwijl de klok meetelt en het leven, en het andere werk, gewoon doorgaat.
Wat helpt, is niet het spanningsveld tussen vrijheid en efficiëntie oplossen, want dat lukt nooit helemaal. Wat wel helpt, is het herkennen. Weten in welke fase je zit, wat die fase vraagt, en waarom een dag soms zwaarder voelt dan het werk zelf rechtvaardigt. Dat maakt het niet makkelijker, maar wel begrijpelijker. En dat is vaak al genoeg om door te kunnen.
Bij het schrijven van deze tekst heb ik gebruikgemaakt van AI als hulpmiddel, bijvoorbeeld voor het structureren en opstellen van de tekst. De uiteindelijke inhoud is door mij beoordeeld, aangevuld en geredigeerd.